Het weer laat zoals altijd zijn sporen na in het humeur van
iedereen. In dit geval hier betekend dit, grote glimlachen, fijne gesprekken
& grootse plannen. Zo plande Frodo om in het weekend op een citytrip te
gaan met enkele andere Erasmus studenten. Omdat mij ogen de schoonheid van
Budapest al hadden mogen ervaren, besloot ik deze reis te passen. Het was Frodo’s
eerste vlucht in ‘Han’ style, solo dus. Hij verliet het nest, de warme plaats
die we beiden gecreëerd hebben. Fijn! Vlieg jongen vlieg!
Ik had nog een paar plaatsen op mijn verlanglijstje staan.
Eentje daarvan was goed voor twee of meer redenen. De plaats heet Adršpach en
staat bekend om zijn schitterende zandsteen formaties. Bekend, maar ik was er
nog nooit geweest dus besloot ik om een kijkje te gaan nemen. Om zo mezelf even
in de stilte van mijn gedachten onder te kunnen dompelen in de natuur. Het was
al even geleden dat ik helemaal alleen was geweest. Soms voelt het iets meer
alsof je alleen bent als er niemand in de buurt is die je taal spreekt, maar
dat telt niet helemaal. Een andere rede was, de rotsen. Logisch, natuurlijk,
maar vooral omdat we voor het atelier grafiek nog wat schetsen van en naar de
natuur moesten maken. Met een rugzak vol die me voorbereide op wat te komen
stond vertok ik vroeg in de ochtend. Opnieuw lachte de zon mij toe en kon ik
het niet weerstaan om toch even terug te knipogen naar die grote brandende
knul. Een uurtje of twee en een ongewikkelde treinrit later, die verdraaid veel
leek op een in elkaar geraakte bol wol, kwam ik aan. De omgeving was zacht
heuvelachtig en overal rond om rond schoten er als versteende vingers die nog
een keer een koel briesje willen voelen, grote steen formaties van tussen het
bos de lucht in. Ik besloot om het park in te trekken. Al snel kwam ik bij een
open plaats dat vroeger een zandput was. Nu echter was het een diep meertje dat
volledig omringd was door rotsen. Het leek wel alsof dit de plaats was die Caspar
Friedrich Davids destijds zo inspireerde om ‘Wanderer’ te schilderen. Het water
in het midden was nog bedekt met een klein laagje ijs. Waar het water zichtbaar
was zag ik een kleur blauw die ik nog nooit op die manier gezien heb. Het was
een doorzichtig ijs blauw water dat op sommige plaatsen de kleur van de rotsen
leek te absorberen en dan weer uit te spuwen, om even te wisselen met het groen
van de omliggende bomen. Ik was behoorlijk onder de indruk en er gingen wel
duizenden ideeën door mijn gedachten dwalen. Op dat moment was er al een deel
van mijn kleine uitstap geslaagd. Ik besloot om zo een dertig meter boven de
grond op een rots, badend in het zonlicht een middagmaal van brood, kaas,
chocolade &gedroogde beef te verorberen. Daarna haalde ik een mondharmonica
uit die ik even leende van Frodo. Het was heerlijk om doelloos maar niet
gevoelloos muziek, of toch iets dat daar soms op leek, te maken. De geluiden
die ik produceerde trachtte ik zoveel mogelijk te laten samenwerken met de
omgeving. Tot het moment dat de takken van de bomen en de gigantische stenen
gewelven en de zwevende noten in mijn hoofd een sierlijke dans ondernomen.
Natuurlijk bewogen die stenen gewelven zich zelfs in mijn gedachten niet
bepaald gracieus, maar toch zeer efficiënt.
Ik zette mijn tocht verder en klom en daalde ettelijke keren
een mooie afstand langs slibberige, met sneeuw bedekte, paden. Na nog een uur
of vier te genieten van de figuren die ik voor me zag verschijnen in de rotsen,
kwam ik bij een heel dunne doorgang tussen twee rotsen. Ik kon er net gewoon
doorwandelen, maar de weg helde stijl naar beneden en was opnieuw bedekt met de
slibberige samenstelling van smeltend en bevroren ijs. De enige optie die ik
had om niet als een skiër naar beneden de stormen was als dit begon mijn hele
lichaam te draaien en mezelf zo even klem te steken tussen de twee smalle
rotswanden. Toen ik halfweg was hoorde ik een vreemd geluid. Het galmde
zachtjes tegen de rotswanden en zo bereikte de melodie, want at was het
duidelijk, mijn oren. Ik bleef even op de gevaarlijke ondergrond staan en duwde
mijn gehoor verder en verder. Ik kreeg er kop nog staart aan, voor de laatste
drie uur had ik geen levende ziel gezien. Ik besloot me even geen vragen te
stellen bij deze feeërieke plottwist en daalde verder af. Van tussen de donkere
wanden komend waar zelfs je adem soms eens stem lijkt, kwam ik op een met
zonlicht vervulde open plek die langst alle kanten geflankeerd werd door hoge
rotsen. In met midden, langst een draaiend pad stond een man, of was het nu
toch een elf, te spelen op een groot en duidelijk zelf gemaakt houten
blaasinstrument. Hij stond, van waar ik hem toen zag, als een silhouet tegen
een majestueuze rots. In die rots was er als bij toeval een gigantische deur,
ongeveer een zeven meter hoog en twee breed was het een zwart gat. Dat me
zonder enige twijfel een andere dimensie in zou katapulteren als ik er helemaal
zou zijn in geweest. Ik besloot echter om er niet in te gaan, nu kan ik mijn
hele leven fantaseren over wat er zich daar bevond. Ik praatte even met de man
die het houten blaasinstrument bespeelde, Petr, over deze magische plek en hij
nodigde mij vriendelijk uit om eens met hem deze mastodonten de beklimmen.
Ik baande me een weg uit het labyrint en kwam opnieuw op de
openvlaktes tussen de bossen. Ik had nog even tijd voor de trein mij terug mee huiswaarts
zou nemen en besloot om die tijd te spenderen tegen een boom in het warme
zonlicht. Een rustgevende en dus geslaagde dag, waarin ik even met mezelf heb kunnen overleggen (doet altijd eens goed), is de gezonde conclusie die ik toen trok. Zelden
had ik zo kunnen genieten van een uitstap die ik maakte voor school. Of
misschien ligt het er aan dat ik in een vreemd land was met schitterend weer,
en dat mijn avontuurlijk hartje zich daar tegoed aan deed. Hoe dan ook,
Tsjechië is en blijft een prachtig land.
















